Vragen en antwoorden

vragen en antwoorden
  • Wanneer voldoet mijn gasinstallatieverbinding en gasinstallatie aan wet en regelgeving?

    De installatie dient aantoonbaar te zijn ontworpen, gefabriceerd en geïnspecteerd volgens de voor deze installatie van toepassing zijnde wet en regelgeving. Gedurende de gebruiksfase dient de installatie aantoonbaar te worden onderhouden en te worden geïnspecteerd volgens de van toepassing zijnde wet en regelgeving.

  • Hoe kan ik de integriteit van de gasleidingen bepalen?

    Nieuwbouw gasleidingen
    Gasleidingen met een ontwerpdruk >500mbar dienen gebouwd te worden volgens de Richtlijn drukapparatuur (zie www.szw.nl ).
    Het ontwerp van een gasleiding dient volgens genoemde richtlijn gecontroleerd te worden door een hiervoor door het ministerie van SZW aangewezen instelling (Notified Body, kortweg NOBO) . Ga hiervoor naar www.szw.nl en zoek op - Warenwetbesluit drukapparatuur -.
    Van het geleverde product of samenstelsel van producten dient een EG conformiteitsverklaring te worden opgesteld door de fabrikant of samensteller zoals aangegeven is in de Richtlijn drukapparatuur.

    Bestaande gasleidingen
    De gasleidingen dienen volgens een deugdelijk kwaliteitsysteem te worden onderhouden. Als norm kan hiervoor de NEN 2078 bijlage K worden aangehouden.

  • Hoe kan ik de integriteit van een gasverbruikstoestel bepalen?

    Nieuwe standaard gasverbruikstoestellen
    Voor nieuwe standaard gasverbruikstoestellen zoals CV ketels en hete luchtverwarming. Deze apparatuur dient te zijn voorzien van een CE-markering volgens de Gastoestellen richtlijn (GAD).
    Voor standaard toestellen, welke een CE markering hebben dient de installateur een rapport op te stellen waarin staat dat het toestel is afgesteld volgens de door de fabrikant opgegeven waarden.
    Voor standaard toestellen, of samenstellen (z.g. cascadeschakelingen) zijnde één stookinstallatie met een nominaal vermogen van, >100 KW welke een CE markering hebben, dient een hiervoor gecertificeerde instelling een rapport op te stellen waarin staat dat het toestel is afgesteld volgens de door de fabrikant opgegeven waarden. Het certificaat van ingebruikname dient conform SCIOS (Stichting Certificatie Inspectie en Onderhoud Stookinstallaties ) te zijn of gelijkwaardig. Voor nadere informatie zie: www.scios.nl

    Nieuwe speciale gasverbruikstoestellen
    Voor deze toestellen dient door de fabrikant een compleet fabricage dossier te zijn opgesteld welke beoordeeld is door een hiervoor gecertificeerde instelling. Het certificaat van ingebruikname dient conform SCIOS te zijn of gelijkwaardig.
    Voor nadere informatie zie: www.scios.nl
    De fabrikant of de samensteller van deze toestellen stelt een EG conformiteitverklaring op.

    Onderhoud bestaande toestellen.
    Bestaande toestellen dienen volgens de door de fabrikant opgegeven perioden te worden onderhouden en geïnspecteerd.
    Het onderhoud kan ook volgens de SCIOS richtlijn worden uitgevoerd. Meer informatie en een lijst van SCIOS gecertificeerde inspectie en onderhoudsbedrijven kunt u vinden via de website. www.scios.nl

    Inspectie bestaande toestellen en leidingen
    Bestaande toestellen en leidingen dienen volgens de door de fabrikant opgegeven perioden te worden onderhouden en geïnspecteerd.
    Installaties met een nominaal vermogen of samengesteld vermogen > 100kW welke vallen onder de werkingssfeer van het besluit Emissie-eisen Middelgrote Stookinstallaties (BEMS) dienen dienovereenkomstig te worden geïnspecteerd.

    Citaat BEMS artikel 4.1.2 - 3 – 4
    “2. Een gasgestookte installatie als bedoeld in dit besluit met een nominaal vermogen van meer dan 100kW wordt ten minste eenmaal per vier jaar gekeurd op veilig functioneren, optimale verbranding en energie zuinigheid.
    3. Een keuring als bedoeld omvat mede de afstelling voor verbranding het systeem voor de toevoer van brandstof en verbrandingslucht en de afvoer van verbrandingsgassen.
    4. Een keuring als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt verricht door een persoon die beschikt over een geldig certificaat dat is afgegeven door een instelling die door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd ten einde uitvoering te kunnen geven aan de <<Beoordelingsrichtlijn voor het uitvoeren van onderhoud en inspecties aan stookinstallaties>> van de Stichting Certificatie Inspectie en Onderhoud Stookinstallaties (SCIOS) of door een persoon die beschikt over een bewijs dat aan vergelijkbare eisen wordt voldaan. Degene die de inrichting drijft vraagt van degene die een keuring verricht een door hem opgesteld en ondertekend verslag van die keuring waaruit ten minste blijkt wanneer en door wie de keuring is verricht en de resultaten van de keuring.”

    Einde citaat

     


    Indien de inspecterende persoon/uitvoerder zoals boven genoemd, niet is aangesloten bij de Stichting Certificatie Inspectie en Onderhoud Stookinstallaties, noch over een accreditatie beschikt, dient deze minimaal te beschikken over een certificering ( bijvoorbeeld ISO 9001 ), waarin de borging van bovengenoemde inspecties inclusief de uitvoering een onderdeel uitmaakt. Hiermee kan de gelijkwaardigheid eventueel aangetoond worden.

    De afdeling Veiligheid van Gasunie beoordeeld of de gelijkwaardigheid voldoende is onderbouwd ten behoeve van de integriteitverklaring.

    OEM leveranciers (Original equipment manufacturers) worden geacht over voldoende expertise te beschikken voor de door hen geleverde producten.
     

  • Welke documenten dienen overlegd te worden bij een(her)ingebruikname van een gasinstallatieverbinding?

    In het kader van de “Aansluitvoorwaarden Gas-LNB” wordt door GTS eenmalig een verzoek naar de aangeslotenen gestuurd om middels een af te geven verklaring de integriteit van de gasinstallatieverbinding en gasinstallatie versus het landelijke gastransportnet te laten borgen. In de “Aansluitvoorwaarden Gas-LNB” staat o.a. dat de gasinstallatieverbinding en gasinstallatie geen gevaar op mag leveren voor het ongestoord functioneren van het landelijke gastransportnet, noch voor personeel van de netbeheerder van landelijk gastransportnet of van door de netbeheerder van het landelijk gastransportnetwerk ingeschakelde derden. In een periode van 3 jaar zijn alle aangeslotenen aangeschreven om een dergelijke verklaring af te geven.

    Deze verklaring zal door de afdeling Veiligheid van Gasunie op de volgende aspecten worden beoordeeld:

    Gasinstallatieverbinding conform artikel 2.9 van de Aansluitvoorwaarden Gas-LNB:
    Om aan het gestelde in artikel 2.9 te voldoen moet de gasinstallatieverbinding zijn voorzien van apparatuur die drukpendeling in het landelijke gastransportnet voorkomt en een terugslagvoorziening. Een terugslagvoorziening is noodzakelijk om te voorkomen dat er ongecontroleerd gas terug het net in kan stromen. Deze voorziening is noodzakelijk als er andere gassen of gassen op hogere druk, op de Gasinstallatie worden aangesloten.

    Aangeslotene dient aan te geven:

    • Welke voorzieningen zijn getroffen om aan het bovenstaande te voldoen en
    • wat de bijbehorende testcertificaten en afstelgegevens zijn.

    Gasinstallatieverbinding niet conform “Artikel 2.9” van de Aansluitvoorwaarden Gas-LNB:
    Indien aangeslotene de in artikel 2.9 gespecificeerde voorzieningen niet wil of kan treffen of indien naar het oordeel van GTS de Aansluiting daar onvoldoende aan voldoet, dient aangeslotene in plaats daarvan er voor te zorgen dat de gasinstallatie (blijft) voldoe(n)t aan de in of krachtens de wet gestelde voorwaarden op het gebied van veiligheid en milieu. Aangeslotene moet op onderstaande gebieden de integriteit van de gasinstallatieverbinding en gasinstallatie aan kunnen tonen:


    Kathodische bescherming:

    • De wijze waarop de ondergrondse leiding kathodisch is beschermd.
    • De meetrapporten van de uitgevoerde controlemetingen.

    Gasleiding installatie(s) aanwezigheid:

    • Conformiteitverklaring volgens PED-richtlijn.
    • Initiële inspecties gasleidinginstallatie.
    • Verklaring van ingebruikname.
    • Documenten gebruiksfase gasleiding.

    Centraal opgestelde gasdrukregelinstallatie(s) aanwezigheid:

    • Conformiteitverklaring volgens PED-richtlijn.
    • Onderhoud- en inspectierapporten met afstelgegevens beveiligingen.

    Gasverbruikinstallatie(s) (voor zover van invloed op landelijk net) aanwezigheid:

    • Eerste Bijzondere Inspecties (EBI).
    • Conformiteitverklaring.
    • Periodiek Onderhoud (PO).
    • Periodieke Inspecties (PI).

    Indien bij de verklaring van de aangeslotene een akkoord verklaring van een aangewezen instelling voor het Warenwetbesluit drukapparatuur (Notified Body of IVG (inspectieafdeling van de gebruiker)) is bijgevoegd met betrekking tot bovenstaande aspecten dan wordt de aansluiting als voldoende integer beschouwd.
     

  • Welke aanpassingen dienen gemeld worden?

    • Elke aanpassing waarvan men niet zeker is dat het van invloed kan zijn op het landelijke gastransportnet. 
    • Werkzaamheden aan de gasinstallatieverbinding en/of gasinstallatie welke het noodzakelijk maken dat het gasontvangststation (GOS) uit bedrijf genomen dient te worden. 
    • Het aanpassen van de capaciteit. Het overnemen van de kathodische bescherming in eigen beheer.
    • Hiervoor dient de koppeling met het landelijke netwerk door Gasunie te worden verwijderd.
       

     

  • Op welke wijze dient de controle van de kathodische bescherming (KB) van de gasleiding van aangeslotene plaats te vinden vanaf het overdrachtspunt naar het punt waar de leiding weer bovengronds komt?

    Na het overdrachtspunt is de KB bescherming de verantwoordelijkheid van de aangeslotene.

    De controlemetingen dienen volgens EN 12954 uitgevoerd te worden. De frequentie van de metingen hangt van verschillende factoren af, maar in het algemeen volstaan jaarlijkse metingen.

    De stroomverzorging vanuit het Gasunie net blijft beperkt beschikbaar.
    De Gasunie kenmerken van de KB paaltjes achter het overdrachtspunt zijn verwijderd.

  • Welke relevante wetgeving is er op dit gebied?

    Een overzicht van de relevante wetgeving op gebied van integriteit van de aansluiting van de gasinstallatieverbinding is gegeven in wetgeving industriële installaties. De inspectiefrequentie voor leidingen welke ten behoeve zijn van toestellen welke vallen onder de werkingssfeer van het besluit Emissie-eisen Middelgrote Stookinstallaties (BEMS) is vastgelegd in Hoofdstuk 4 artikel 4.1 van de BEMS, zie www.infomil.nl/onderwerpen/klimaat-lucht/stookinstallaties/bem

    In de afgegeven Milieuvergunning kunnen afwijkende of aanvullende voorwaarden zijn opgenomen.
    Ten aanzien van de veiligheid van het gasontvangstation wordt een samenvatting gegeven in Regelgeving o.b.v. ATEX
    Aanvullende sites over wetgeving zijn:
    overheidsloket.overheid.nl
    www.infomil.nl
    www.europa.eu.int

     

  • Welke normen kan ik toepassen?

    Een overzicht van toepasbare normen is gegeven in Normen industriele installaties normen industriele installaties en Overzicht Europese normen en normontwikkelingen, welke zijn geharmoniseerd met de PED.

    Op de website van het Nederlandse Normalisatie Instituut NEN www.nen.nl zijn alle Nederlandse normen te vinden en te bestellen.
    Op de website van www.euronorm.net is veel informatie te vinden over wetgeving en normalisatie.
    Het is een fraai overzicht van Europese normen welke toepasbaar zijn voor industriële gasinstallaties.

  • Overzicht van aangewezen keuringsinstellingen, keuringsdienst van gebruikers en erkende instellingen voor het warenwetbesluit.

    Op de website van het ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid (www.szw.nl) vind u overzicht van aangewezen instellingen voor het Warenwetbesluit drukapparatuur en hun werkgebied. Ga hiervoor naar www.szw.nl en zoek op - Warenwetbesluit drukapparatuur -.

  • Zijn de genoemde maatregelen zoals genoemd in artikel 2.9 van de aansluitvoorwaarden gas-lnb al niet ingebouwd in het gasontvangstation (gos) of kunnen deze worden ingebouwd?

    De gasinstallatieverbinding en gasinstallatie van de aangeslotene mag geen gevaar opleveren voor het ongestoord functioneren van het landelijk transportnet. Om aan artikel 2.9 van de Aansluitvoorwaarden Gas-LNB te voldoen dient de aangeslotene in zijn eigen gasinstallatieverbinding genoemde maatregelen te treffen. Indien hieraan niet wordt voldaan dan is artikel 2.10 van de Aansluitvoorwaarden Gas-LNB van toepassing.
    In het GOS zijn beveiligingen opgenomen die de achterliggende gasinstallatie van de aangeslotene beschermen tegen o.a. te hoge gasdruk.

  • Hoe hoog moet de ontwerpdruk van de gasinstallatie en de leiding na het Gasontvangststation zijn?

    De ontwerpdruk moet altijd hoger zijn dan de leveringdruk van Gas Transport Services aan de aangeslotene.
    Dit is noodzakelijk omdat de geregelde druk wordt beveiligd in het GOS middels een afblaasveiligheid en 1 of 2 afslagveiligheden. Om dit bedrijfszeker in te kunnen stellen is er een marge noodzakelijk.
    In de onderstaande tabel is de relatie tussen de leveringsdruk en de ontwerpdruk weergegeven.
     

    Gasontvangstation - Gasunie Mogelijk hoogste afstelling beveiliging in het GOS
    Uitlaatdruk Pu normale leveringsdruk MIP (Maximaal
    Incidentele
    uitlaatzijde Druk
    bar bar

    0,5 t/m2,0

    4,4
    > 2,0 t/m4,0 6,6
    > 4,0 t/m8,0 11,0
    > 8,0 t/m13,6 17,6
    > 13,6 t/m15,0 22
    > 15,0 t/m17,0 22
    > 17,0 t/m22,5 27,5
    > 22,5 t/m38,0 44
    40 (open pijp) 46 (1.15 X MOP)
    80 (open pijp) 92 (1.15 X MOP)

     De minimale ontwerpdruk van het gassysteem van aangeslotene is afhankelijk van de hoogste afstelling van de beveiliging (MIP) in het Gasontvangstation. Evenals van de gekozen ontwerpcode/norm voor het systeem van aangeslotene. Een NOBO dient op basis van deze gegevens te bepalen wat de ontwerpdruk van het gassysteem van de aangeslotene dient te worden.

  • In welke situatie kan een aangeslotene een verzoek indienen om het gasontvangststation uit- of inbedrijf te nemen?

    Indien er werkzaamheden aan de gasinstallatieverbinding en/of gasinstallatie worden uitgevoerd en er geen afsluitmogelijkheden in de gasinstallatieverbinding en gasinstallatie na het overdrachtspunt zijn.

  • Welke acties worden genomen bij een uit- of inbedrijfname?

    • De aangeslotene neemt zo vroeg mogelijk contact op met de contactpersoon van operationele werkzaamheden van Gasunie in het betreffende gebied. Zie hiervoor : Contact.
    • De aangeslotene en contactpersoon van Gasunie nemen de planning en de aard van de werkzaamheden door.
    • De contactpersoon van het gebied informeert de afdeling Veiligheid Specialisten (TVS).
    • Deze afdeling Veiligheid bekijkt de mogelijke risico’s voor het landelijke gastransportnet en bepaald welke voorzorgsmaatregelen genomen moeten worden.
    • De afdeling operationele planning (LGP) van GTS stelt een schakelprogramma op waarin wordt vastgelegd wat de handelingen zijn die door Gasunie worden uitgevoerd.
    • De aangeslotenen voert de werkzaamheden en inspecties uit welke noodzakelijk zijn voor een integere gasinstallatieverbinding en gasinstallatie. TVS beoordeeld of de werkzaamheden conform de afspraken zijn uitgevoerd.
    • De afdeling Veiligheid geeft het station vrij voor ingebruikname aan de deskundige van het gebied.
  • Tot welke druk wordt het net van de aangeslotene beveiligd door het GOS?

    Met de aangeslotene wordt een leveringdruk afgesproken zoals genoemd in de eerste kolom (zie tabel onder Hoe hoog moet de ontwerpdruk van de gasinstallatieverbinding en gasinstallatie na het Gasontvangststation zijn)

    In de bovenstaande tabel is aangegeven welke druk er bij een incident maximaal op de leiding kan komen.
    De aangeslotene dient ervoor te zorgen dat de ontwerpdruk van zijn leidingsysteem gescikt is voor de genoemde MIP.
    Indien op dit systeem toestellen worden aangesloten welke niet normaal functioneren als de gasdruk de MIP nadert (zie 2de kolom),dan moet dit toestel hier tegen worden beveiligd. Dit kan door het toepassen van een elektrische of mechanische overdruk beveiliging.

  • Kan er ook een lagere gasdruk dan de normale leveringsdruk geleverd worden vanuit het gasontvangststation naar de aangeslotene?

    De gasdrukregelinstallatie in het gasontvangststation is gewoonlijk voorzien van één leverende gasdrukregelinstallatie met uitlaatgasdruk beveiligingen en een (parallelle) reserve gasdrukregelinstallatie. Bij hogere capaciteiten zijn er drie gasdrukregelinstallaties (twee leverende + één reserve) opgesteld. Bij een defect aan de leverende gasdrukregelinstallatie of bij onderhoudswerkzaamheden neemt de reservestraat de gaslevering op een lagere leveringsdruk over. Als indicatie kan bij een gasontvangststation met twee gasdrukregelinstallaties in genoemde situatie 0,3 bar drukdaling optreden. Bij drie gasdrukregelinstallaties is deze drukdaling in het meest ongunstige geval ongeveer 0,6 bar. Dit kan van invloed zijn op de afstelling van de lage gasdrukbewakingen van de eigen gasverbruikinstallatie van de aangeslotene. Aanbevolen wordt dan ook om de afstelling van de lage gasdrukbewaking in de eigen installatie op minimaal 0, 4 tot 0, 7 bar (afhankelijk van aantal straten in het gasontvangstation) onder de instelwaarden van het gasontvangstation in te stellen, rekening houdende met drukverlies over de aansluitleidingen.